(Eerste) Nota inzake de Ruimtelijke Ordening (1960)

De Nota inzake de Ruimtelijke Ordening van 1960 (die uiteraard niet de 'eerste nota' werd genoemd) werd vooraf gegaan door de Nota Westen des Lands (1958). Aanleiding vormde de congestie in het westen door de toestroom van vele duizenden mensen. Een spreidingsbeleid moest dat voorkomen. Door de economie in het noorden en het oosten te stimuleren zou de verhuisstroom naar het 'Westen des Lands' worden afgeremd. Niettemin, zo werd geschat, zouden er voor 1980 circa één miljoen nieuwe randstedelingen zijn.

De eerste nota schetst een groeimodel voor de Randstad, uitgaande van de bestaande ring van afzonderlijke steden rondom een groen, open middengebied: het Groene Hart. Deze steden moesten een veilige en overzichtelijke woonplaats vormen; in een aaneengegroeide metropool zou de stedeling ten onder gaan. De steden in het westen mochten dus niet te groot worden en niet aan elkaar groeien. Er moesten herbergzame woonwijken komen, die een veilige leefomgeving zouden vormen voor de vele jonge gezinnen.

Het Groene Hart moest van verstedelijking verschoond blijven. Dit gebied was belangrijk voor de voedselproductie in de Randstad en verschafte recreatiemogelijkheden voor de miljoenen 'bleekneuzen' in de stad. Voor aanvullende woonruimte moesten Amsterdam, Rotterdam en Utrecht aan de buitenkant van de stedenring terecht. Alleen Den Haag mocht binnen de ring aan de slag.

Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening (1966)

Alle prognoses voor de groei van de bevolking wezen uit, dat er rond de eeuwwisseling twintig miljoen mensen in Nederland zouden wonen. Dat was een waar schrikbeeld. Zette de toestroom naar het westen in de eerste nota dus al de toon; in de tweede nota zwol deze toon aan met de prangende vraag waar deze mensen zouden kunnen wonen. Zonder sterke ruimtelijke ordening zou de bevolkingsgroei rampzalige gevolgen hebben. De grootste angst was, dat de Randstad zou uitdijen en samensmelten tot een onbestuurbare stad met ghetto's en sloppenwijken.

Het antwoord was gebundelde deconcentratie. Op enige afstand van de stedenring werden groeikernen aangewezen waar nieuwe woningen in grote aantallen konden worden gebouwd waaronder Lelystad, Purmerend en Maarssenbroek. Vanwege de grote toestroom van bewoners zou hier vanzelf ook eigen bedrijvigheid ontstaan; waar mensen wonen, is immers economisch potentieel.

Dat beleid werd gecombineerd met een bufferzonebeleid waardoor de bestaande steden in de Randstad slechts beperkt konden groeien. Dat beleid hield in, dat het rijk op strategische plekken tussen de grote steden stukken land aankocht, waardoor de scheiding tussen de grote steden werd gegarandeerd.

Het stedelijk concept werd gecompleteerd met een dicht netwerk van autowegen; van het autogebruik werd toen nog niets dan goeds verwacht.

Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening (1973-1983)

De derde nota kwam tussen 1973 en 1983 in verschillende etappes tot stand. De aanleiding voor de nieuwe nota was, dat al vrij snel na het uitkomen van de tweede nota bleek dat het met de bevolkingsgroei sterk zou meevallen; in 2000 zou Nederland geen twintig miljoen, maar hooguit zeventien miljoen inwoners tellen. Geen reden voor paniek. Ondertussen was er wel een trek van de bevolking uit de stad op gang gekomen die mede mogelijk werd gemaakt door het toenemende autobezit. Veel mensen ruilden in die jaren hun verouderde stadswoning in voor een nieuwbouwwoning buiten de stad. Voor het eerst speelden wonen en werken zich niet noodzakelijk in dezelfde plaats af. Vooral de dorpen profiteerden van deze trek uit de stad; de groeikernen konden niet op eigen kracht van de grond komen.

De derde nota moest de scheefgroei onder controle zien te krijgen. Het uitgangspunt van de tweede nota (gebundelde deconcentratie) werd voortgezet en er werden elf groeikernen aangewezen. Nieuw in de derde nota was het instrumentarium om de verstedelijking hier te stimuleren, zoals grondkosten- en infrastructuursubsidies. Verder werd in aanvulling op de tweede nota, de onevenredige groei van kleinere kernen een halt toegeroepen en werd vanaf 1975 de stadsvernieuwing in de grote steden op poten gezet.

Tegelijk kwamen er een investeringsregeling om de economie in het noorden en in Limburg te stimuleren. Verder kwamen er regelingen voor nationale parken en landinrichting en beheerovereenkomsten met boeren om milieuvriendelijke landbouwmethoden te ondersteunen.

Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening (1988)

'Nederland in 2015. Daar wordt nu aan gewerkt.' Dat was het motto van de vierde nota. Voor het eerst richtte het beleid zich op de volgende eeuw en ruimtelijke kwaliteit werd centraal gesteld. Dat wil zeggen: de kwaliteit van de ruimtelijke inrichting zou tegemoet moeten komen aan de (hoge) eisen die nieuwe bedrijven in een internationale context stellen. Voor het eerst werden de overzichtelijke stedelijke structuren en de situering van steden rondom een open groen middengebied aangemerkt als kanskaart van Nederland. Die specifieke voordelen zou Nederland beter moeten uitbuiten in de internationale concurrentie. De beide mainports met de achterlandverbindingen via weg, water, rail en buis, kregen alle kansen zich te ontplooien en voor het eerst werd uitgebreid aandacht besteed aan de groeikansen van Schiphol.

Verder stuurde de vierde nota aan op vergroting van het economisch kerngebied van de Randstad tot de steden in Noord-Brabant en Midden-Gelderland en een geconcentreerde ontwikkeling van stedelijke knooppunten elders in Nederland zodat deze op regionaal niveau een meerwaarde zouden kunnen bieden. En -niet onbelangrijk- er werden veel nieuwe woningen op het programma gezet om te kunnen voldoen aan de nog altijd grote vraag naar goede woonruimte.

Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (1994)

Aan de vooravond van de parlementaire behandeling van de vierde nota viel het tweede kabinet-Lubbers. Het derde kabinet-Lubbers nam de nota weliswaar over, maar voegde er het nodige aan toe waarmee de Vierde Nota Extra, beter bekend als Vinex, het licht zag.

Vooral de alarmerende milieuproblemen waren aanleiding om goed na te denken over de bijdrage die de ruimtelijke inrichting zou kunnen leveren aan vermindering van de milieubelasting. De belangrijkste relatie werd gezocht in beperking van de mobiliteitsbehoefte. Ruimte voor bedrijven en nieuwe woningen moest eerst in bestaande steden worden gezocht. Daarna aan de rand van de steden en pas dan op afstand van bestaande steden. Bij stadsuitbreiding moest van meet af aan worden gewerkt aan goed openbaar vervoer. Voor bedrijfslocaties werd een bereikbaarheidsprofiel ontwikkeld: bedrijven met veel publieks- en weinig goederenbewegingen zouden bij stations moeten komen. Aan de snelweg is alleen plaats voor bedrijven met veel goederen- en weinig publieksbewegingen. De uitgangspunten van de eerste nota uit 1960 sloten naadloos aan bij deze compacte-stadbenadering: behoud van grote open ruimten en een duidelijke scheiding tussen stad en land. Met regio's en provincies werden afspraken gemaakt over de realisatie van de benodigde woningen, gekoppeld aan grondkostensubsidies en bijdragen voor openbaar vervoer en groen. De afspraken werden vastgelegd voor de periode tot 2005. Voor de periode tot 2010 zijn nieuwe afspraken opgenomen in de Actualisering Vinex (1999).


Bron: Ministerie VROM